Snel Spaans leren? Rotating Header Image

Vergelijkende trap

De trappen van vergelijking zijn niet moeilijk in het Spaans. De meeste comparativos zijn regelmatig en makkelijk te onthouden.

Vergelijkelijkende trap - regelmatig

De meeste woorden die je kunt gebruiken bij de vergelijkende trappen zijn regelmatig. In de onderstaande tabel kun je een voorbeeld vinden die voor iedere vergelijking opgaat.

Trap Spaans Nederlands
stellende trap rico lekker
vergrotende trap más rico lekkerder
overtreffende trap el más rico het lekkerst


Vergelijkelijkende trap - onregelmatig

De meeste woorden zijn regelmatig maar er zijn ook een aantal woorden die onregelmatig zijn. De woorden die in het Nederlands onregelmatig zijn, zijn dat in het Spaans vaak ook. De belangrijkste kun je hier vinden.

Spaans Nederlands
bueno/a - mejor - el/la mejor goed - beter - de beste
malo/a - peor - el/la peor slecht - slechter - de slechtste
grande - mayor - el/la mayor groot/oud - ouder - het oudst
pequeño/a - menor - el/la menor Klein/jong - jonger - het jonst

Gelijke vergelijkingen

Soms wil je zeggen dat dingen gelijk zijn aan elkaar, bijvoorbeeld “deze appel is even groot als die appel”. Net als in het Nederlands werkt dat iets anders dan wanneer je ongelijke vergelijkingen maakt. Voor deze vergelijkingen kun je altijd dezelfde constructie gebruiken namelijk:

tan + adjetivo/adverbio + como

Voorbeeld met adjetivo (eigenschap slaat op iets of iemand):

  • María es tan inteligente como Ana.
  • El televisor blanco es tan grande como el negro.

Voorbeeld met adverbio (eigenschap slaat op een werkwoord):

  • María canta tan bien como Ana.
  • Susana tiene tantos libros como Gloria.

Ongelijke vergelijkingen

Bij ongelijke vergelijkingen is er altijd één object groter, beter, sterker of mooier dan het andere. Er zit verschil in. Bijvoorbeeld “deze tafel is mooier dan die tafel”. Voor ongelijke vergelijkingen kun je deze constructie gebruiken:

más + adjetivo/adverbio/nombre + que

Voorbeeld met adjetivo (eigenschap slaat op iets of iemand):

  • Sofía es más guapa que yo
  • Yo soy menos guapa que Sofía

Voorbeeld met adverbio (eigenschap slaat op een werkwoord):

  • Ana escribe más rápidamente que Luisa

Voorbeeld met nombre (zelfstandig naamwoorden):

  • Andrés lee más libros que Pedro
  • Pedro lee menos libros que Andrés

más + adjetivo/adverbio/nombre + de + getal

Soms wordt “que” vervangen door “de”. Dit is het geval wanneer de zin wordt gevolgd door een getal of de anderen. Een paar voorbeeldjes om het te verduidelijken:

  • El televisor es el peor de todos/restos/otros.
  • Tiene más de 80/25/40 años.
  • María es la mayor de los hijos.
Vond je dit een nuttige post? Deel hem dan!
  • E-mail this story to a friend!
  • Print this article!
  • TwitThis
  • NuJIJ
  • del.icio.us
  • Facebook
  • StumbleUpon