Werkwoorden
De werkwoorden in het Spaans is één van de moeilijkste en complexe onderdelen van de Spaanse grammatica. De Spaanse werkwoorden worden door mij, en medestudenten als lastig ervaren. De Spaanse werkwoordsvormen zijn enigszins te vergelijken met die van het Frans en het Italiaans. In het Nederlands zijn wij echter een stuk minder strikt met werkwoorden en is het niet altijd even makkelijk om het verschil te zien tussen alle tijden, vormen en categorieën.
Soorten
Het Spaans kent een groot aantal onregelmatige werkwoorden. De overige werkwoorden vallen onder 1 van de 3 soorten namelijk werkwoorden die eindigen op;
- -ar
- -er
- -ir
De werkwoorden eindigend op -ar zijn de meest voorkomende en de meest regelmatige. De-er en-ir werkwoorden hebben veel minder werkwoorden, en zijn meer geneigd zijn tot het onregelmatige. Er zijn ook onderklassen van semi-regelmatige werkwoorden die regelmatig zijn maar waarvan een klinker wisselt.
Tijden
Het Spaanse werkwoord systeem is onderverdeeld in 14 verschillende “tijden”. Welke tijd je moet gebruiken is afhankelijk van de tijd (het verleden, het heden of de toekomst) en van je stemming (ben je ergens zeker van, of is het een gedachte). De werkwoorden zijn ook onderverdeeld in gewone tijden en samengestelde tijden. De samengestelde tijden gaan altijd met een vorm van het hulpwerkwoord “haber” + voltooid deelwoord.
Categorieën
Spaanse werkwoorden zijn onderverdeeld in vier categorieën, die ook wel stemmingen worden genoemd;
- Indicatief (Modo indicativo),
- Subjuntief (Modo subjuntivo),
- Imperatief (Modo imperativo),
- Niet persoonlijke vormen (Formas no personales).
Indicativo
De vorm indivativo wordt in het Spaans gebruikt voor acties die werkelijk plaats (gaan) vinden, feiten of andere dingen die vast staan. De indicativo is daarmee ook gelijk de meest gebruikte werkwoordsvorm in het Spaans. Onder de categorie indicativo worden de volgende werkwoordstijden verstaan:
Simple:
- Indicativo - Presente (onvoltooid tegenwoordige tijd)
Ik praat - Yo hablo - I speak - Indicativo - Imperfecto (verleden tijd)
Ik praatte met regelmaat - Yo hablaba - I used to speak - Indicativo - Indefinido / Pretérito perfecto simple (onvoltooid verleden tijd)
Ik praatte gisteren - Yo hablé - I spoke - Indicativo - Futuro (onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd)
Ik zal praten - Yo hablaré - I will speak
Perfecto:
- Indicativo - Pretérito perfecto (voltooid tegenwoordige tijd)
Ik heb gepraat - Yo he hablado - I have spoken - Indicativo - Pretérito pluscuamperfecto
Ik had gepraat - Había hablado - I had been speaking - Indicativo - Pretérito anterior
Ik had gepraat - Hube hablado - I had spoken - Indicativo - Futuro compuesto
Ik zou gepraat hebben - Habré hablado - I shall/will have spoken - Indicativo - Condicional compuesto, perfecto of antepospretérito
Ik had moeten spreken (als..) - Habría hablado - I was supposed to speak
Subjuntivo
De subjuntivo wordt in het Spaans gebruikt voor het uitdrukken van meningen, gedachten en hypothesen.
Simple:
- Subjuntivo - Presente
Ik praat, ik ben aan het praten, ik zal praten - Hable - I speak, I am speaking, I will speak
Imperativo
De imperativo is de gebiedende wijs en deze geeft over het algemeen een bevel weer. Bij de imperativo bestaat er onderscheid tussen een negatief gebiedende wijs, en een positief gebiedende wijs.
- Imperativo - Positivo
- Imperativo - Negativo
Eet! - ¡come! (tú)
Eet niet! - ¡no comas! (tú)
Welke vorm moet ik gebruiken?
Is een vraag die ik, en veel van mijn medestudenten ons vaak afvragen. De regels zijn niet altijd zwart op wit en er kan nog wel eens wat twijfel bestaan over de juiste werkwoordsvorm. Om toch een beetje duidelijkheid te krijgen raad ik aan om onderstaand schema eens goed te bekijken. Hier wordt op een makkelijke manier duidelijk gemaakt wanneer je welke vorm moet gebruiken (klik op het plaatje voor een groter formaat).







